
Zwolle en zijn koloniale geschiedenis 2: Sassenstraat 5
· leestijd 1 minuut AlgemeenIn een reeks van vijf gebouwen gaan we deze zomer door de koloniale geschiedenis van Zwolle. Zwolle staat niet bekend om haar koloniale verleden, toch zijn er nog sporen uit die tijd terug te vinden op hedendaagse gebouwen. Elly Touwen-Bouwsma is onze gids. Zij is historisch antropoloog en medeoprichtster van de website www.koloniaalerfgoedtevoet.nl. In dit tweede deel gaan we naar de Sassenstraat 5.
(Door Ingrid Oosten)
Op nummer 5 woonde Seyger van Rechteren (1600 – 1646), een bastaard kleinzoon van de familie van Rechteren; de familie bezat een kasteel even buiten Dalfsen. Seyger trad in 1628 in dienst bij de VOC als ziekentrooster; ook wel kranckenbezoeker genoemd. Een ziekentrooster was een predikant zonder universitaire opleiding. Wel moest Seyger een examen afleggen bij de kerkenraad.
Voor 1628 is hij gehuwd met Anneke Heimans, weduwe van Wolter Alberts. Zij is de dochter van Heiman Hendriks, schout van Zalk. Seyger is 28 jaar oud wanneer hij met zijn vrouw en twee kinderen, een zoontje van ruim een jaar oud en een dochter aan boord stapt. Zijn missie is om de ware gereformeerde religie aan de blinde heidenen in Oost-Indië te brengen. Aan boord verzorgde hij het morgen- en avondgebed en leidde hij de zondagse diensten. Door te weinig voedsel en vitaminegebrek werden vele opvarende ziek en/of stierven; ook die begeleide Seyger.
Na vele ontberingen op zee komt de familie in september 1629 aan in Batavia. Twee dagen na het overlijden van Jan Pieterszoon Coen.
Aan het einde van 1629 vertrekt Seyger met zijn vrouw en dochtertje, zijn zoon in inmiddels overleden, naar Banda. Op dit eiland draait alles om nootmuskaat. Coen dwong in 1621 met extreem geweld de bevolking van de Banda-eilanden het monopolie op de handel in nootmuskaat af; hij bepaalde de teelt en verkoop van dit product. Van de 10.000 tot 15.000 Bandanezen overleefden er niet meer dan 1000. Zij werden slaafgemaakt en moesten werken op de vrijgekomen nootmuskaatplantages. Deze genocide is een van de zwartste bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis.
Seyger was het met Coen eens, want de bevolking luisterde niet en ze bedreven sluikhandel.
In mei 1631 vertrekt Seyger, die zelf ook slaven bezat op Banda, weer naar Batavia. Hij komt dan terecht op een ziekenhuisschip waar om en nabij de honderd personen liggen. Eind 1632 vertrekt het gezin weer naar Nederland. Ze gaan dan aan de Sassenstraat nummer 5 in Zwolle wonen. Hij wordt benoemd tot hoofd van het gevangeniswezen in Overijssel. Van zijn belevenissen in de Oost schrijft hij een reisverslag. Zijn verslag laat zien dat bijna iedere VOC-ambtenaar in die tijd op de een of andere manier betrokken was bij slavernij.
In 1646 overlijdt hij en wordt hij begraven in de Grote Kerk van Zwolle; in het familiegraf van de familie van Rechteren.
Op het huis aan de Sassenstraat 5 staan twee teksten: ‘Hy weet niet wat hy verliest die het tidelyck voor het geestelyck kiest’ en ‘Als het komt op en scheyden soo heeft hy geen van beyden’. De teksten zijn niet aan Seyger toegeschreven, maar hebben wel een link met hem. Hij vond immers ook -als gelovig man- dat wie zich te veel met de tijdelijke en wereldse zaken bezig hield en te weinig met het geestelijke, niets zal hebben als hij sterft.

























