
Wethouder Van Willigen is van de lange adem
· leestijd 3 minuten AlgemeenZWOLLE - Even rustig aan doen na negen jaar wethouderschap? Wethouder Michiel van Willigen kijkt er vreemd van op. “Ik ben al een tijdje aan het rondkijken wat ik hierna ga doen”, zegt hij. Het past wel want vooruit kijken en de lange termijn is een rode draad in zijn bestuursperiode. “Ik wil niet alleen dingen fiksen maar een goede basis leggen, dat is voor mij een kenmerk van politiek. Een stevige stad bouw je door te investeren in een goede basis, ook als dat pas later resultaat oplevert. Ik ben niet van de quick-wins.”
(door Joop de Haan)
Van Willigen begon zijn politieke loopbaan in 2010 in de fractie van de ChristenUnie. Toen wethouder Philip van As in 2017 opstapte, nam hij diens plaats in. Duurzaamheid en energie zat in de portefeuille, dat lokte. “Daar voelde ik me heel erg bij thuis. Vóór mijn wethouderschap was dat ook mijn werk. Maar een jaar later kwam GroenLinks in het college en energietransitie was hun ding. Dat snapte ik, maar ik vond het ook lastig. Ik twijfelde of ik door moest gaan, ik wil dingen doen waarvan ik denk dat ik ze goed kan.”
Maar jeugdzorg, wat hem werd aangeboden als beleidsterrein, was hem niet onbekend. “Ik heb in mijn omgeving veel mensen die in de jeugdzorg werken en was in de gemeenteraad ook woordvoerder jeugdzorg. Het was geen gemakkelijk dossier, maar de informateur zei: de lange termijnvisie die je gewend bent, hebben we juist nodig.”
Andere werkgebieden werden onder andere armoedebeleid, onderwijs, sport en gezondheid. “Dat heeft samenhang. We hebben de afgelopen periode als college van B en W gezegd: we staan niet voor portefeuilles maar voor ambities. De ambitie voor mijn portefeuilles is kansengelijkheid. Voor kinderen en jongeren betekent dit: voor iedereen gelijke kansen om op een goede manier op te groeien.”
Het koppelen van armoederegelingen en jeugdzorg is een voorbeeld van die ambitie. “We kwamen erachter dat er een relatie tussen zit. Je moet goed kijken of ouders wel op de goede manier ondersteund worden. We hebben nu veel meer gekeken hoe je met een integrale aanpak zorgt voor gelijke kansen. Er waren tekorten in de jeugdzorg, maar het gaat nu beter. “Dat is niet vanzelf gegaan. We hebben daar de afgelopen jaren bewust op ingezet. We proberen problemen eerder te signaleren en gezinnen sneller te helpen, het liefst gewoon dichtbij huis. We werken daarbij nauw samen met scholen, wijkteams en jeugdzorgorganisaties. Door beter samen te werken en eerder hulp te bieden, hebben minder jongeren zware jeugdzorg nodig. We zien dat terug in de cijfers: de uitgaven zijn gedaald, het aantal jongeren in de jeugdzorg neemt af en ook het aantal uithuisplaatsingen is minder geworden.”
Bijvoorbeeld door het Relatie- en Scheidingsteam. “Een bestuurder van Jeugdbescherming Overijssel en ik hebben een dag van baan gewisseld. Toen zagen we hoeveel invloed we hebben op elkaars werk. Want ruim 60 procent van de kinderen in de jeugdbescherming had ook te maken met een gebroken situatie thuis. Als je niks doet aan die situatie thuis, zal de jeugdzorg niet minder worden.”
Met Hogeschool Viaa werd een methode ontwikkeld om met ouders in een scheidingssituatie een goed ouderplan op te zetten. “Het doel is niet dat de ouders bij elkaar blijven maar dat de zorg voor de kinderen op een goede manier wordt vormgegeven.”
In de methoden zijn er zeven stappen van escalatie. “We hebben in 97 procent van de gevallen dat met één of meer treden naar beneden gebracht. Eerder escaleerde het alleen maar. In de eerste anderhalf jaar hebben we 150 mensen geholpen, nu zijn dat al vier keer zoveel.”
De aanpak trekt landelijk de aandacht. Er kwamen zoveel belangstellende gemeentes op bezoek dat er een congres over werd gehouden. Van Willigen kijkt er met voldoening op terug. “Dat we niet met een individualistische blik hebben gekeken maar breder, naar de hele context rond een kind. We zijn sociale wezens, op die manier moet je kijken naar beleid. Alles heeft een relatie met elkaar en daar ga je op lange termijn in investeren.”
In het onderwijs kijkt Van Willigen ook naar samenwerking en de lange termijn. Onderwijsinstellingen en de gemeente deden gescheiden dingen: de gemeente zorgde voor gebouwen, onderwijs was er voor de lessen. Maar de gemeente heeft doelen over het veilig en gezond opgroeien en heeft de scholen daarbij nodig. De coronaperiode joeg de samenwerking aan. De scholen sloten, maar stelden Van Willigen gerust: het zou inhoudelijk met het onderwijs wel goedkomen. Maar was de thuissituatie wel geschikt om te leren? Hoe ga je scholieren begeleiden? “Met het onderwijs, welzijnswerkers, sociale wijkteams wilden we daar beleid op maken. Dat werd de Strategische Onderwijs Agenda, en dat is nu de basis voor onze gezamenlijke kijk op onderwijs. We investeren samen. We hebben echt besturen, scholen en gemeente samengebracht.”
En er kwamen ondersteuningsteams op alle scholen, primair en in het voortgezet onderwijs. In de ondersteuningsteams werken de school, maatschappelijk werkers en zorg samen. “Soms heb je op school een ondersteuningsvraag, over ADHD of dyslexie, en voor je het weet ga je naar de huisarts, wat eigenlijk niet hoeft. Het ondersteuningsteam kijkt met de jongere en ouders naar wat nodig is. We hebben nu op alle scholen, primair en in het voortgezet onderwijs ondersteuningsteams. Dat is niet nieuw maar zo uitgebreid is wel uniek, die integrale blik. Misschien is dat het verhaal, we doen het met elkaar. Iedereen die iets te maken heeft met maatschappelijke ondersteuning, ook huisartsen en de politie, werken met elkaar samen.”
Daarin zit ook weer de lange termijn. “Om de volgende generatie, sterk en goed te laten opgroeien.”





























